shopify site analytics
 
 




Op de infographic van het stappenplan voor de invoering van het werkverdelingsplan dat de bonden en de PO-raad gezamenlijk hebben gepubliceerd, staat ook het hierboven afgebeelde lijstje met aandachtspunten. Wat opvalt is dat de verhouding tussen de lesgevende taken en de overige taken én de tijd voor vóór- en nawerk op dit lijstje als twee apart te nemen besluiten worden opgevoerd. Dit zijn twee regeltjes uit de bijlage XXI van de nieuwe CAO-PO over het werkverdelingsplan die door alle organisaties in hun toelichtingen hierop - kennelijk zonder dat daar tot nu toe bij iemand een belletje is gaan rinkelen - telkens weer worden overgeschreven.


Wie echter de opbouw en samenhang binnen de jaartaak duidelijk is, begrijpt meteen dat de eerste regel niet alleen discutabel is, maar dat deze samen als twee apart te nemen besluiten, onverenigbaar zijn. Als je dit niet duidelijk is, kun je voor je verder leest, beter eerst even over de opbouw van de jaartaak lezen.


een vaste verhouding tussen de lestaak en de overige taken leidt tot onlogische resultaten

Omdat na aftrek van de uren voor de duurzame inzetbaarheid en de professionalisering, de uren voor de resterende taakonderdelen lestaak, voor- & nawerk en overige taken drie communicerende vaten vormen, is het niet mogelijk om na de inroostering van de lestaak de omvang van het voor- & nawerk en de overige taken onafhankelijk van elkaar te bepalen. 


Het is dus van tweeën één: óf je bepaalt de verhouding tussen de lestaak en de overige taken, óf je bepaalt de tijd voor het voor- en nawerk. Maar allebei tegelijk gaat dus niet. Helaas leidt ook het alleen vastleggen van een vaste verhouding tussen de lestaak en de overige taken tot ongerijmdheden.


Wanneer namelijk tussen de ingeroosterde lestaak en de overige taken een vaste verhouding is afgesproken, is het gevolg daarvan dat wie méér lesuren is ingeroosterd dan het maximum, dan dus ook méér uren krijgt toebedeeld voor de overige taken, en dientengevolge mínder uren overhoudt voor het voor- en nawerk. En dat is natuurlijk precies het omgekeerde van wat moet gebeuren. Omgekeerd, wanneer mínder lesuren worden ingeroosterd, worden er volgens diezelfde vaste verhouding ook mínder uren toebedeeld aan de overige taken en blijven er dientengevolge méér uren over voor het voor- en nawerk. En dat is dus ook precies het omgekeerde van wat logisch is.


het team moet dus niet de verhouding bepalen tussen de lestaak en de overige taken, maar tussen de lestaak en het voor- en nawerk

De verhouding tussen de lesuren en het voor- en nawerk bepaal je met een opslagpercentage (de opslagfactor). Hoe hoger het opslagpercentage, hoe méér uren er beschikbaar zijn voor het voor- en nawerk, en hoe minder uren er overblijven voor de overige taken. Hoe kleiner het opslagpercentage, hoe méér uren er overblijven voor de overige taken. Volgens deze transparante en logische berekeningswijze middels een opslagpercentage over de ingeroosterde lesuren, wordt dus indirect tevens de verhouding bepaald tussen de lestaak en de overige taken.


gevolgen voor de planner

In de planner blijft de berekeningswijze van de uren voor het voor- en nawerk daarom ongewijzigd gebaseerd op een door het team vast te stellen opslagpercentage (opslagfactor).


samenvatting

  • De regel dat het team de verhouding bepaalt tussen de lesgevende taak en de overige taken, leidt tot onlogische resultaten voor de uren voor het voor- en nawerk en kan dus niet worden toegepast.
  • In plaats van de verhouding tussen de lestaak en de overige uren te bepalen, bepaalt het team (opnieuw) het percentage van de ingeroosterde lesuren voor de uren voor het voor- en nawerk (de opslagfactor of het opslagpercentage blijft dus gehandhaafd) en bepaalt daarmee indirect tevens de verhouding tussen de lestaak en de overige taken.
  • In de planner Taakberekening-PO blijft het programma in de berekening van de uren voor het voor- en nawerk, gebruik maken van de opslagfactor.