shopify site analytics
   
 

Hoe bepaal je de uren voor het voor- en nawerk en de overige taken?

In de CAO-PO 2018 wordt niet meer gesproken over de opslagfactor en bepaalt het team de verhouding tussen de lestaak en de overige taken (Bijlage XXI, 2.2.7). Hieronder laat ik zien dat je de opslagfactor in ere moet houden en deze regel beter niet kunt toepassen.

In een artikel van de AVS (Achterbanraadpleging leden over tijd- en werkverdelingsplan op 10 april 2018) staat o.m. het volgende:

"In het werkverdelingsplan worden onder andere de verdeling van de groepen over de leraren, de verhouding tussen lesgebonden en overige taken, welke overige taken je als team op school verzorgt, de tijd voor voor- en nawerk, de tijd binnen en buiten de klas voor onderwijsondersteunend personeel, de pauzes, de aanwezigheid op school en de besteding van de werkdrukmiddelen vastgelegd;"

Uit bovenstaande kun je opmaken dat de AVS 'de verhouding tussen lesgebonden en overige taken' en 'de tijd voor voor- en nawerk' kennelijk als twee verschillende vast te leggen zaken beschouwt. Maar dat is natuurlijk niet zo, want de ingeroosterde lesuren, de uren voor het voor en nawerk en de uren voor de overige taken vormen, zoals je hieronder en op deze pagina kunt lezen, drie communicerende vaten.

Opbouw van de jaartaak
De jaartaak bestaat uit 5 onderdelen (zie onder), waarvan de eerste twee vastliggen volgens de wtf, de leeftijd en het salarisnummer. Wanneer we bij een wtf van 1,0 uitgaan van een budget duurzame inzetbaarheid van 40 uur, zijn de uren voor de eerste twee onderdelen samen altijd 123 uur (40 + 83), en blijft er voor de andere drie onderdelen dus in alle gevallen 1536 uur over.

In het linkerdeel van onderstaand overzicht zie je de berekening van de uren voor het voor- en nawerk volgens een opslagfactor en vormen de resterende uren bij deze berekening de uren voor de overige taken. Als opslagpercentage is in dit voorbeeld 43,4 % gekozen. Dit merkwaardige percentage is gekozen om er voor te zorgen dat de resultaten in onderstaand voorbeeld bij een inroostering van 940 lesuren, gelijk zijn aan de resultaten bij het toepassen van een gekozen vaste verhouding tussen de lestaak en de overige taken van (in dit voorbeeld)  5:1.


Zoals je in het rechterdeel van de tabel hierboven kunt zien, resulteert een vaste verhouding tussen de lestaak en de overige taken in mínder uren voor het voor- en nawerk wanneer méér uren worden ingeroosterd dan 940 uur, en in méér uren voor het voor- en nawerk wanneer mínder uren worden ingeroosterd. En bij de uren voor de overige taken zien we het omgekeerde gebeuren. 

Het vaststellen van een vaste verhouding tussen de lestaak en de overige taken leidt dus tot een onlogische berekening van de uren voor het voor- en nawerk en de overige taken als een leerkracht meer of minder wordt ingeroosterd dan zijn maximale lestaak.

Onuitvoerbaar
De nieuwe CAO-regel dat het team 'de verhouding bepaalt tussen de uren voor de lesgevende taak en de overige taken' is dus, wanneer we dat letterlijk nemen, onuitvoerbaar wegens het onlogische gevolg hiervan op de uren voor zowel de overige taken als het voor- en nawerk.

Verkeerde prioriteit
Er is overigens nog iets vreemds aan de regel dat het team de verhouding tussen de lestaak en de overige taken bepaalt: het degradeert het voor- en nawerk tot een restpost. Maar een school is een onderwijsinstelling en geen inrichting om leerkrachten met overige taken van de straat te houden. Voor goed onderwijs is het primair van belang dat er naast de ingeroosterde lesuren voldoende tijd is voor het voor- en nawerk en dat bereik je niet door eerst de verhouding tussen de lesuren en de overige taken te bepalen, om vervolgens maar af te wachten hoeveel uren er dan voor het voor- en nawerk overblijven. Het moet dus juist andersom: eerst bepalen we de verhouding tussen de lesuren en de uren voor het voor- en nawerk, en vervolgens kijken we dan wat er nog overblijft voor de overige taken!

Het team moet dus niet de verhouding bepalen tussen de lestaak en de overige taken, maar tussen de lestaak en het voor- en nawerk
De verhouding tussen de lesuren en het voor- en nawerk bepaal je met een opslagpercentage. Hoe hoger het opslagpercentage, hoe méér uren er beschikbaar zijn voor het voor- en nawerk, en hoe minder uren er overblijven voor de overige taken. Hoe kleiner het opslagpercentage, hoe méér uren er overblijven voor de overige taken. Volgens deze transparante en logische berekeningswijze middels een opslagpercentage over de ingeroosterde lesuren, wordt dus indirect tevens de verhouding bepaald tussen de lestaak en de overige taken.

Gevolgen voor de planner 2019/2020
In de nieuwe planner voor het volgend schooljaar blijft de berekeningswijze van de uren voor het voor- en nawerk daarom ongewijzigd gebaseerd op een door het team vast te stellen opslagpercentage (opslagfactor).


Samenvatting

  • De regel dat het team de verhouding bepaalt tussen de lesgevende taak en de overige taken, leidt tot onlogische resultaten voor de uren voor het voor- en nawerk en kan dus niet worden toegepast.
  • In plaats van de verhouding tussen de lestaak en de overige uren te bepalen, bepaalt het team (opnieuw) het percentage van de ingeroosterde lesuren voor de uren voor het voor- en nawerk (de opslagfactor of het opslagpercentage blijft dus gehandhaafd) en bepaalt daarmee indirect tevens de verhouding tussen de lestaak en de overige taken.
  • In de planner Taakberekening-PO 2019/2020 blijft het programma in de berekening van de uren voor het voor- en nawerk, gebruik maken van de opslagfactor.